Vertel wie bij je familie hoort en beschrijf mensen kort.
Wat is dit? ser = identiteit: wie je bent, waar je vandaan komt, wat je bent.
In gewone taal: Met ser zeg je wie iemand is. Je gebruikt het bijvoorbeeld voor een naam, herkomst, beroep of vaste eigenschap.
Structuur: ser + identiteit: Soy ..., Eres ..., Es ...
Gebruik dit wanneer: Gebruik dit voor naam, herkomst, beroep en vaste eigenschappen.
Vergelijk: ser zegt wat iets is. estar zegt waar of hoe iets is: Madrid está en España, ook al verandert die locatie niet.
Veelgemaakte fout: Gebruik ser niet voor een locatie. Ook een vaste, permanente locatie gebruikt estar: Madrid está en España.
Soy Rick.
NL: Ik ben Rick.
Soy de los Países Bajos.
NL: Ik kom uit Nederland.
Soy consultor.
NL: Ik ben consultant.
Wat is dit? tener = hebben.
In gewone taal: Tener betekent “hebben” en gebruik je ook voor leeftijd en vaste combinaties.
Structuur: tener + zelfstandig naamwoord / leeftijd: Tengo ..., Tengo X años
Gebruik dit wanneer: Gebruik dit voor bezit, leeftijd en veel vaste uitdrukkingen.
Veelgemaakte fout: Leeftijd is in het Spaans met tener, niet met ser.
Tengo una reserva.
NL: Ik heb een reservering.
Tengo 33 años.
NL: Ik ben 33 jaar oud.
No tengo efectivo.
NL: Ik heb geen contant geld.
Wat is dit? Overeenkomst: woorden moeten kloppen in geslacht en getal.
In gewone taal: In het Spaans veranderen sommige woorden bij een mannelijk of vrouwelijk woord en bij één of meerdere dingen. Daarom zeg je una habitación grande, maar dos habitaciones grandes.
Structuur: Lidwoord + zelfstandig naamwoord + bijvoeglijk naamwoord moeten in geslacht/getal matchen
Gebruik dit wanneer: Pas de woorden aan voor mannelijk of vrouwelijk en voor één of meerdere dingen.
Veelgemaakte fout: Laat geen mix ontstaan zoals enkelvoud lidwoord met meervoud zelfstandig naamwoord.
una habitación grande
NL: een grote kamer
dos noches
NL: twee nachten
los restaurantes buenos
NL: de goede restaurants