Grammatica • Je dagelijkse routine

Vertel in eenvoudige zinnen wat je elke dag doet.

LesWoordenGrammatica

Wat je in deze unit oefent

Praten over dagelijkse gewoontesGebruik de gewone tegenwoordige tijd om te vertellen wat jij en anderen elke dag doen.

Wat is dit? De gewone tegenwoordige tijd vertelt wat iemand nu doet of regelmatig doet.

In gewone taal: Met de gewone tegenwoordige tijd vertel je wat je nu doet of wat je regelmatig doet. Bij yo zeg je bijvoorbeeld trabajo en bij él of ella zeg je trabaja.

Structuur: Stam + uitgang in de tegenwoordige tijd: trabajo, trabajas, trabaja · comemos · viven

Gebruik dit wanneer: Gebruik deze tijd voor je routine, werk, studie, vrije tijd en andere dagelijkse handelingen.

Stap voor stap
  1. Kijk wie de handeling doet: yo, , él/ella, nosotros of ellos.
  2. Haal bij een regelmatig werkwoord -ar, -er of -ir weg.
  3. Voeg de juiste uitgang toe: trabajo, comes, vive, estudiamos.
  4. Gebruik bij een wederkerend werkwoord ook me, te of se: Me levanto a las siete.
Snelle check
  • Klopt de werkwoordsvorm bij de persoon?
  • Gebruik je de tijd voor iets dat nu of regelmatig gebeurt?
  • Staat bij een werkwoord als levantarse ook het juiste korte woord?

Vergelijk: Trabajo hoy vertelt wat je vandaag doet. Voy a trabajar mañana vertelt een plan voor morgen.

Veelgemaakte fout: Gebruik niet altijd de hele werkwoordsvorm. Na yo, of él/ella moet het werkwoord veranderen.

  • Trabajo de lunes a viernes.

  • Mi hermana estudia español.

  • Nos levantamos a las siete.

a, de, en, con en para gebruikenLeer deze korte woorden in veelgebruikte combinaties.

Wat is dit? Kernvoorzetsels geven relatie aan: richting, plaats, doel, middel.

In gewone taal: Voorzetsels zijn korte woorden zoals a, de, en, con en para. Leer ze samen met het werkwoord of de uitdrukking waarin ze voorkomen.

Structuur: ir a (naar) · estar en (in/op) · hablar de (over) · con (met) · para (voor/om te)

Gebruik dit wanneer: Gebruik deze combinaties in dagelijkse zinnen over plaats, richting, gezelschap en doel.

Stap voor stap
  1. Kies de betekenis: richting (ir a), plaats (estar en), onderwerp (hablar de), gezelschap (con) of doel/ontvanger (para).
  2. Gebruik de complete combinatie, bijvoorbeeld Voy a la estación of Estoy en Madrid.
  3. Let op de samentrekkingen: a + el = al en de + el = del.
Snelle check
  • Past het voorzetsel bij het werkwoord?
  • Is dit een bekende chunk uit de les?
  • Vertaal je niet letterlijk vanuit het Nederlands?

Veelgemaakte fout: Voorzetsels vertaal je niet 1-op-1 vanuit NL; leer de vaste combinaties.

  • Para mí, un café.

    NL: Voor mij een koffie.

  • Estoy en Madrid.

    NL: Ik ben in Madrid.

  • Voy a la estación.

    NL: Ik ga naar het station.

Spaans leerapp (A1–C1)