Spel je naam en geef eenvoudige contactgegevens.
Wat is dit? ser = identiteit: wie je bent, waar je vandaan komt, wat je bent.
In gewone taal: Met ser zeg je wie iemand is. Je gebruikt het bijvoorbeeld voor een naam, herkomst, beroep of vaste eigenschap.
Structuur: ser + identiteit: Soy ..., Eres ..., Es ...
Gebruik dit wanneer: Gebruik dit voor naam, herkomst, beroep en vaste eigenschappen.
Vergelijk: ser zegt wat iets is. estar zegt waar of hoe iets is: Madrid está en España, ook al verandert die locatie niet.
Veelgemaakte fout: Gebruik ser niet voor een locatie. Ook een vaste, permanente locatie gebruikt estar: Madrid está en España.
Soy Rick.
NL: Ik ben Rick.
Soy de los Países Bajos.
NL: land
Soy consultor.
NL: Ik ben consultant.
Wat is dit? Met de vraagwoorden dónde, cuánto en a qué hora vraag je waar iets is, hoeveel iets kost of hoe laat iets gebeurt.
In gewone taal: In het Spaans gebruik je dónde voor waar, cuánto voor hoeveel en a qué hora voor hoe laat. Bijvoorbeeld: ¿Dónde está el baño? betekent “Waar is het toilet?”, ¿Cuánto cuesta el billete? betekent “Hoeveel kost het kaartje?” en ¿A qué hora abre el museo? betekent “Hoe laat opent het museum?”
Structuur: ¿Dónde está + plek? (Waar is ...?) · ¿Cuánto cuesta + product? (Hoeveel kost ...?) · ¿A qué hora + verbo? (Hoe laat ...?)
Gebruik dit wanneer: Gebruik deze vragen bijvoorbeeld in een winkel, hotel, restaurant of wanneer je onderweg informatie nodig hebt.
Vergelijk: Een los vraagwoord is vaak te vaag. Met een volledige vraag begrijpt de ander precies welke informatie je nodig hebt.
Veelgemaakte fout: Gebruik niet alleen een los vraagwoord. Maak een volledige vraag met een werkwoord.
Tip: Onthoud een paar volledige voorbeeldvragen en vervang daarna alleen de plek, het product of de tijd.
¿Dónde está el baño?
NL: Waar is het toilet?
¿Cuánto cuesta el billete?
NL: Hoeveel kost het kaartje?
¿A qué hora abre el museo?
NL: Hoe laat opent het museum?