Grammatica • Naam, spelling & contactgegevens

Spel je naam en geef eenvoudige contactgegevens.

LesWoordenGrammatica

Wat je in deze unit oefent

Jezelf voorstellen met serGebruik ser voor je naam, herkomst, beroep en vaste eigenschappen.

Wat is dit? ser = identiteit: wie je bent, waar je vandaan komt, wat je bent.

In gewone taal: Met ser zeg je wie iemand is. Je gebruikt het bijvoorbeeld voor een naam, herkomst, beroep of vaste eigenschap.

Structuur: ser + identiteit: Soy ..., Eres ..., Es ...

Gebruik dit wanneer: Gebruik dit voor naam, herkomst, beroep en vaste eigenschappen.

Stap voor stap
  1. Kies het onderwerp (yo, , él/ella...).
  2. Neem de juiste vorm van ser: soy, eres, es, somos, sois, son.
  3. Vul daarna identiteit in: Soy Ana, Somos de Madrid.
Snelle check
  • Gaat het om identiteit en niet om locatie?
  • Klopt de vorm van ser bij het onderwerp?
  • Zeg je wat iemand of iets is, en niet waar of hoe het is?

Vergelijk: ser zegt wat iets is. estar zegt waar of hoe iets is: Madrid está en España, ook al verandert die locatie niet.

Veelgemaakte fout: Gebruik ser niet voor een locatie. Ook een vaste, permanente locatie gebruikt estar: Madrid está en España.

  • Soy Rick.

    NL: Ik ben Rick.

  • Soy de los Países Bajos.

    NL: land

  • Soy consultor.

    NL: Ik ben consultant.

Vragen stellen over plaats, prijs en tijdVraag duidelijk waar iets is, hoeveel iets kost of hoe laat iets gebeurt.

Wat is dit? Met de vraagwoorden dónde, cuánto en a qué hora vraag je waar iets is, hoeveel iets kost of hoe laat iets gebeurt.

In gewone taal: In het Spaans gebruik je dónde voor waar, cuánto voor hoeveel en a qué hora voor hoe laat. Bijvoorbeeld: ¿Dónde está el baño? betekent “Waar is het toilet?”, ¿Cuánto cuesta el billete? betekent “Hoeveel kost het kaartje?” en ¿A qué hora abre el museo? betekent “Hoe laat opent het museum?”

Structuur: ¿Dónde está + plek? (Waar is ...?) · ¿Cuánto cuesta + product? (Hoeveel kost ...?) · ¿A qué hora + verbo? (Hoe laat ...?)

Gebruik dit wanneer: Gebruik deze vragen bijvoorbeeld in een winkel, hotel, restaurant of wanneer je onderweg informatie nodig hebt.

Stap voor stap
  1. Kies wat je nodig hebt: locatie, prijs of tijd.
  2. Gebruik de juiste volledige vraag: ¿Dónde está...?, ¿Cuánto cuesta...? of ¿A qué hora...?.
  3. Vul de plek, het product of het werkwoord in en controleer de woordvolgorde.
Snelle check
  • Begint de zin met het juiste vraagwoord?
  • Staat er een werkwoord in de vraag?
  • Is de vraag volledig en beleefd genoeg voor een echt gesprek?

Vergelijk: Een los vraagwoord is vaak te vaag. Met een volledige vraag begrijpt de ander precies welke informatie je nodig hebt.

Veelgemaakte fout: Gebruik niet alleen een los vraagwoord. Maak een volledige vraag met een werkwoord.

Tip: Onthoud een paar volledige voorbeeldvragen en vervang daarna alleen de plek, het product of de tijd.

  • ¿Dónde está el baño?

    NL: Waar is het toilet?

  • ¿Cuánto cuesta el billete?

    NL: Hoeveel kost het kaartje?

  • ¿A qué hora abre el museo?

    NL: Hoe laat opent het museum?

Spaans leerapp (A1–C1)