Per niveau zie je elke grammaticaregel één keer. Oefenen blijft beschikbaar via Lessen.
Gebruik ser voor je naam, herkomst, beroep en vaste eigenschappen.
Met ser zeg je wie iemand is. Je gebruikt het bijvoorbeeld voor een naam, herkomst, beroep of vaste eigenschap.
Wanneer: Gebruik dit voor naam, herkomst, beroep en vaste eigenschappen.
Voorbeelden
Soy Rick.
Ik ben Rick.
Soy de los Países Bajos.
Ik kom uit Nederland.
Soy consultor.
Ik ben consultant.
Zeg waar iemand of iets is, of hoe het op dat moment is.
Met estar geef je aan waar iemand of iets is, of hoe iemand of iets eraan toe is.
Wanneer: Gebruik dit voor een plaats of voor hoe iemand of iets op dat moment is.
Voorbeelden
Estoy en el hotel.
Ik ben in het hotel.
La habitación está limpia.
De kamer is schoon.
¿Dónde estás?
Waar ben je?
Zeg dat iets of iemand ergens aanwezig is.
Hay gebruik je om te zeggen dat iets bestaat of aanwezig is: “er is/er zijn”.
Wanneer: Gebruik dit om iets nieuws te introduceren: Hay una farmacia en la esquina.
Voorbeelden
Hay una farmacia cerca.
Er is een apotheek in de buurt.
No hay tiempo.
Er is geen tijd.
¿Hay wifi?
Is er wifi?
Gebruik tener voor bezit en leeftijd.
Tener betekent “hebben” en gebruik je ook voor leeftijd en vaste combinaties.
Wanneer: Gebruik dit voor bezit, leeftijd en veel vaste uitdrukkingen.
Voorbeelden
Tengo una reserva.
Ik heb een reservering.
Tengo 33 años.
Ik ben 33 jaar oud.
No tengo efectivo.
Ik heb geen contant geld.
Gebruik gustar om te zeggen wat je wel of niet leuk vindt.
Gebruik me gusta voor één ding of een handeling. Gebruik me gustan voor meerdere dingen. Met no ervoor zeg je dat je iets niet leuk vindt.
Wanneer: Gebruik me gusta voor één ding of een handeling en me gustan voor meerdere dingen.
Voorbeelden
Me gusta el café.
Ik hou van koffie.
Me gustan las tapas.
Ik hou van tapas.
No me gusta la cerveza.
Ik hou niet van bier.
Zeg wat je wilt, kunt, nodig hebt of moet doen.
Met querer, poder, necesitar en tener que zeg je wat je wilt, kunt, nodig hebt of moet doen. Het werkwoord erna blijft in de hele vorm, zoals ir in Quiero ir.
Wanneer: Gebruik dit als je wilt zeggen wat iemand wil, kan, nodig heeft of moet doen.
Voorbeelden
Quiero ir.
Ik wil gaan.
¿Puedes ayudarme?
Kun je me helpen?
Necesito pagar.
Ik moet betalen.
Gebruik ir + a om over plannen voor straks of later te praten.
Gebruik een vorm van ir, daarna a en daarna het hele werkwoord om te vertellen wat iemand gaat doen. Bijvoorbeeld: Voy a llamar betekent “Ik ga bellen.”
Wanneer: Gebruik dit voor plannen voor straks, vanavond of later.
Voorbeelden
Voy a reservar una mesa.
Ik ga een tafel reserveren.
Vamos a salir a las ocho.
We gaan om acht uur weg.
Vraag duidelijk waar iets is, hoeveel iets kost of hoe laat iets gebeurt.
In het Spaans gebruik je dónde voor waar, cuánto voor hoeveel en a qué hora voor hoe laat. Bijvoorbeeld: ¿Dónde está el baño? betekent “Waar is het toilet?”, ¿Cuánto cuesta el billete? betekent “Hoeveel kost het kaartje?” en ¿A qué hora abre el museo? betekent “Hoe laat opent het museum?”
Wanneer: Gebruik deze vragen bijvoorbeeld in een winkel, hotel, restaurant of wanneer je onderweg informatie nodig hebt.
Voorbeelden
¿Dónde está el baño?
Waar is het toilet?
¿Cuánto cuesta el billete?
Hoeveel kost het kaartje?
¿A qué hora abre el museo?
Hoe laat opent het museum?
