Grammatica • Plannen voor vandaag en morgen

Vertel wat je gaat doen en reageer op een voorstel.

LesWoordenGrammatica

Wat je in deze unit oefent

Vertellen wat je gaat doenGebruik ir + a om over plannen voor straks of later te praten.

Wat is dit? ir a + infinitief = iets gaan doen (nabije toekomst).

In gewone taal: Gebruik een vorm van ir, daarna a en daarna het hele werkwoord om te vertellen wat iemand gaat doen. Bijvoorbeeld: Voy a llamar betekent “Ik ga bellen.”

Structuur: ir (vervoegd) + a + infinitief

Gebruik dit wanneer: Gebruik dit voor plannen voor straks, vanavond of later.

Stap voor stap
  1. Vervoeg ir (voy, vas, va, ...).
  2. Zet altijd a erachter.
  3. Voeg het infinitief toe: Voy a llamar, Vamos a salir.
Snelle check
  • Staat de a tussen ir en infinitief?
  • Is het een plan voor straks/vanavond/deze week?
  • Klopt de vervoeging van ir?

Veelgemaakte fout: Vergeet de a niet tussen de vorm van ir en het hele werkwoord.

  • Voy a reservar una mesa.

    NL: reserveren

  • Vamos a salir a las ocho.

    NL: gaan

Willen, kunnen en moetenZeg wat je wilt, kunt, nodig hebt of moet doen.

Wat is dit? Met deze werkwoorden zeg je wat je wilt, kunt, nodig hebt of moet doen.

In gewone taal: Met querer, poder, necesitar en tener que zeg je wat je wilt, kunt, nodig hebt of moet doen. Het werkwoord erna blijft in de hele vorm, zoals ir in Quiero ir.

Structuur: querer, poder, necesitar of tener que + het hele werkwoord

Gebruik dit wanneer: Gebruik dit als je wilt zeggen wat iemand wil, kan, nodig heeft of moet doen.

Stap voor stap
  1. Kies de betekenis: willen (querer), kunnen (poder), moeten (tener que), nodig hebben (necesitar).
  2. Vervoeg alleen het eerste werkwoord.
  3. Zet daarna het infinitief: Quiero pagar, Puedes ayudarme.
Snelle check
  • Staat het tweede werkwoord in infinitief?
  • Past willen, kunnen, nodig hebben of moeten bij je bedoeling?
  • Is de zin direct bruikbaar in gesprek?

Veelgemaakte fout: Na deze werkwoorden volgt meestal het hele werkwoord, zoals ir in Quiero ir.

  • Quiero ir.

    NL: gaan

  • ¿Puedes ayudarme?

    NL: Kun je me helpen?

  • Necesito pagar.

    NL: Ik moet betalen.

  • Tengo que salir.

    NL: ik moet

Spaans leerapp (A1–C1)