Gebruik basisgetallen, dagen en maanden voor leeftijd en datum.
Wat is dit? tener = hebben.
In gewone taal: Tener betekent “hebben” en gebruik je ook voor leeftijd en vaste combinaties.
Structuur: tener + zelfstandig naamwoord / leeftijd: Tengo ..., Tengo X años
Gebruik dit wanneer: Gebruik dit voor bezit, leeftijd en veel vaste uitdrukkingen.
Veelgemaakte fout: Leeftijd is in het Spaans met tener, niet met ser.
Tengo una reserva.
NL: Ik heb een reservering.
Tengo 33 años.
NL: Ik ben 33 jaar oud.
No tengo efectivo.
NL: Ik heb geen contant geld.
Wat is dit? Met de vraagwoorden dónde, cuánto en a qué hora vraag je waar iets is, hoeveel iets kost of hoe laat iets gebeurt.
In gewone taal: In het Spaans gebruik je dónde voor waar, cuánto voor hoeveel en a qué hora voor hoe laat. Bijvoorbeeld: ¿Dónde está el baño? betekent “Waar is het toilet?”, ¿Cuánto cuesta el billete? betekent “Hoeveel kost het kaartje?” en ¿A qué hora abre el museo? betekent “Hoe laat opent het museum?”
Structuur: ¿Dónde está + plek? (Waar is ...?) · ¿Cuánto cuesta + product? (Hoeveel kost ...?) · ¿A qué hora + verbo? (Hoe laat ...?)
Gebruik dit wanneer: Gebruik deze vragen bijvoorbeeld in een winkel, hotel, restaurant of wanneer je onderweg informatie nodig hebt.
Vergelijk: Een los vraagwoord is vaak te vaag. Met een volledige vraag begrijpt de ander precies welke informatie je nodig hebt.
Veelgemaakte fout: Gebruik niet alleen een los vraagwoord. Maak een volledige vraag met een werkwoord.
Tip: Onthoud een paar volledige voorbeeldvragen en vervang daarna alleen de plek, het product of de tijd.
¿Dónde está el baño?
NL: Waar is het toilet?
¿Cuánto cuesta el billete?
NL: Hoeveel kost het kaartje?
¿A qué hora abre el museo?
NL: Hoe laat opent het museum?
Wat is dit? Kernvoorzetsels geven relatie aan: richting, plaats, doel, middel.
In gewone taal: Voorzetsels zijn korte woorden zoals a, de, en, con en para. Leer ze samen met het werkwoord of de uitdrukking waarin ze voorkomen.
Structuur: ir a (naar) · estar en (in/op) · hablar de (over) · con (met) · para (voor/om te)
Gebruik dit wanneer: Gebruik deze combinaties in dagelijkse zinnen over plaats, richting, gezelschap en doel.
Veelgemaakte fout: Voorzetsels vertaal je niet 1-op-1 vanuit NL; leer de vaste combinaties.
Para mí, un café.
NL: Voor mij een koffie.
Estoy en Madrid.
NL: Ik ben in Madrid.
Voy a la estación.
NL: Ik ga naar het station.