Grammatica • Getallen, leeftijd & datum

Gebruik basisgetallen, dagen en maanden voor leeftijd en datum.

LesWoordenGrammatica

Wat je in deze unit oefent

Vertellen wat je hebt en hoe oud je bentGebruik tener voor bezit en leeftijd.

Wat is dit? tener = hebben.

In gewone taal: Tener betekent “hebben” en gebruik je ook voor leeftijd en vaste combinaties.

Structuur: tener + zelfstandig naamwoord / leeftijd: Tengo ..., Tengo X años

Gebruik dit wanneer: Gebruik dit voor bezit, leeftijd en veel vaste uitdrukkingen.

Stap voor stap
  1. Kies onderwerp + juiste vorm van tener (tengo, tienes, tiene...).
  2. Zet bezit of leeftijd erachter: Tengo una reserva, Tengo 20 años.
  3. Controleer of je geen NL-structuur met ser hebt overgenomen.
Snelle check
  • Staat leeftijd met tener + años?
  • Klopt de vervoeging met het onderwerp?
  • Past de zin in een praktische situatie (hotel, afspraak, betaling)?

Veelgemaakte fout: Leeftijd is in het Spaans met tener, niet met ser.

  • Tengo una reserva.

    NL: Ik heb een reservering.

  • Tengo 33 años.

    NL: Ik ben 33 jaar oud.

  • No tengo efectivo.

    NL: Ik heb geen contant geld.

Vragen stellen over plaats, prijs en tijdVraag duidelijk waar iets is, hoeveel iets kost of hoe laat iets gebeurt.

Wat is dit? Met de vraagwoorden dónde, cuánto en a qué hora vraag je waar iets is, hoeveel iets kost of hoe laat iets gebeurt.

In gewone taal: In het Spaans gebruik je dónde voor waar, cuánto voor hoeveel en a qué hora voor hoe laat. Bijvoorbeeld: ¿Dónde está el baño? betekent “Waar is het toilet?”, ¿Cuánto cuesta el billete? betekent “Hoeveel kost het kaartje?” en ¿A qué hora abre el museo? betekent “Hoe laat opent het museum?”

Structuur: ¿Dónde está + plek? (Waar is ...?) · ¿Cuánto cuesta + product? (Hoeveel kost ...?) · ¿A qué hora + verbo? (Hoe laat ...?)

Gebruik dit wanneer: Gebruik deze vragen bijvoorbeeld in een winkel, hotel, restaurant of wanneer je onderweg informatie nodig hebt.

Stap voor stap
  1. Kies wat je nodig hebt: locatie, prijs of tijd.
  2. Gebruik de juiste volledige vraag: ¿Dónde está...?, ¿Cuánto cuesta...? of ¿A qué hora...?.
  3. Vul de plek, het product of het werkwoord in en controleer de woordvolgorde.
Snelle check
  • Begint de zin met het juiste vraagwoord?
  • Staat er een werkwoord in de vraag?
  • Is de vraag volledig en beleefd genoeg voor een echt gesprek?

Vergelijk: Een los vraagwoord is vaak te vaag. Met een volledige vraag begrijpt de ander precies welke informatie je nodig hebt.

Veelgemaakte fout: Gebruik niet alleen een los vraagwoord. Maak een volledige vraag met een werkwoord.

Tip: Onthoud een paar volledige voorbeeldvragen en vervang daarna alleen de plek, het product of de tijd.

  • ¿Dónde está el baño?

    NL: Waar is het toilet?

  • ¿Cuánto cuesta el billete?

    NL: Hoeveel kost het kaartje?

  • ¿A qué hora abre el museo?

    NL: Hoe laat opent het museum?

a, de, en, con en para gebruikenLeer deze korte woorden in veelgebruikte combinaties.

Wat is dit? Kernvoorzetsels geven relatie aan: richting, plaats, doel, middel.

In gewone taal: Voorzetsels zijn korte woorden zoals a, de, en, con en para. Leer ze samen met het werkwoord of de uitdrukking waarin ze voorkomen.

Structuur: ir a (naar) · estar en (in/op) · hablar de (over) · con (met) · para (voor/om te)

Gebruik dit wanneer: Gebruik deze combinaties in dagelijkse zinnen over plaats, richting, gezelschap en doel.

Stap voor stap
  1. Kies de betekenis: richting (ir a), plaats (estar en), onderwerp (hablar de), gezelschap (con) of doel/ontvanger (para).
  2. Gebruik de complete combinatie, bijvoorbeeld Voy a la estación of Estoy en Madrid.
  3. Let op de samentrekkingen: a + el = al en de + el = del.
Snelle check
  • Past het voorzetsel bij het werkwoord?
  • Is dit een bekende chunk uit de les?
  • Vertaal je niet letterlijk vanuit het Nederlands?

Veelgemaakte fout: Voorzetsels vertaal je niet 1-op-1 vanuit NL; leer de vaste combinaties.

  • Para mí, un café.

    NL: Voor mij een koffie.

  • Estoy en Madrid.

    NL: Ik ben in Madrid.

  • Voy a la estación.

    NL: Ik ga naar het station.

Spaans leerapp (A1–C1)